B1 · Verbs
Verbs of perception
Zien, horen, voelen, ruiken: what your senses tell you.
- Ik hoor de regen ___ tegen het raam. (tikken)
- Mijn oma ruikt altijd naar het lekkerste ___. (eten)
- We voelen dat de temperatuur langzaam ___. (dalen)
- Ik zie de bus al ___ de straat in draaien. (rijden)
- Hij voelde zich ___ nadat hij het nieuws hoorde. (zijn)
- Ik ruik dat er iets in de keuken ___. (branden)
- We ___ de hele ochtend naar de vogels zitten kijken. (zitten)
- Zij heeft de hele film ___ dat er iets mis was. (zien)
- Ik ___ de regen over het dak strijken. (horen)
- De hond blaft, hij ___ de vogel achter het huis horen. (horen)
- We hebben het geluid van de motor ___. (horen)
- Ze voelde een traal ___ in haar nek. (kriebelen)