Learn Dutch
B1 · Verbs

Verbs of perception

Zien, horen, voelen, ruiken: what your senses tell you.

  1. Ik hoor de regen ___ tegen het raam. (tikken)
  2. Mijn oma ruikt altijd naar het lekkerste ___. (eten)
  3. We voelen dat de temperatuur langzaam ___. (dalen)
  4. Ik zie de bus al ___ de straat in draaien. (rijden)
  5. Hij voelde zich ___ nadat hij het nieuws hoorde. (zijn)
  6. Ik ruik dat er iets in de keuken ___. (branden)
  7. We ___ de hele ochtend naar de vogels zitten kijken. (zitten)
  8. Zij heeft de hele film ___ dat er iets mis was. (zien)
  9. Ik ___ de regen over het dak strijken. (horen)
  10. De hond blaft, hij ___ de vogel achter het huis horen. (horen)
  11. We hebben het geluid van de motor ___. (horen)
  12. Ze voelde een traal ___ in haar nek. (kriebelen)