Learn Dutch
B1 · Verbs

Verbs of opinion

Vinden, denken, geloven, lijken: saying what you think.

  1. Ik vind ___ het plan te duur is. (vinden)
  2. Hij denkt ___ de oplossing veel simpeler is. (denken)
  3. Het lijkt me ___ dit jaar veel te druk. (lijken)
  4. Ik geloof ___ de cijfers kloppen. (geloven)
  5. Mijn collega vindt ___ we te vroeg zijn begonnen. (vinden)
  6. Ik dacht dat je zou me ___ dat het lastig was. (zeggen)
  7. Zij ___ de redactie te streng met de deadlines. (vinden)
  8. We ___ de prijs van het abonnement te hoog vinden. (lijken)
  9. Ik ben er zeker van ___ hij dit al eerder heeft gezien. (zijn)
  10. Vind je het verstandig ___ we zo vroeg beginnen? (vinden)
  11. Hij dacht ___ de trein zou wel op tijd zijn. (denken)
  12. Ik weet niet wat ik ervan moet ___ van die verandering. (vinden)