B1 · Verbs
Verbs of opinion
Vinden, denken, geloven, lijken: saying what you think.
- Ik vind ___ het plan te duur is. (vinden)
- Hij denkt ___ de oplossing veel simpeler is. (denken)
- Het lijkt me ___ dit jaar veel te druk. (lijken)
- Ik geloof ___ de cijfers kloppen. (geloven)
- Mijn collega vindt ___ we te vroeg zijn begonnen. (vinden)
- Ik dacht dat je zou me ___ dat het lastig was. (zeggen)
- Zij ___ de redactie te streng met de deadlines. (vinden)
- We ___ de prijs van het abonnement te hoog vinden. (lijken)
- Ik ben er zeker van ___ hij dit al eerder heeft gezien. (zijn)
- Vind je het verstandig ___ we zo vroeg beginnen? (vinden)
- Hij dacht ___ de trein zou wel op tijd zijn. (denken)
- Ik weet niet wat ik ervan moet ___ van die verandering. (vinden)