Learn Dutch
B1 · Verbs

Moeten and mogen: duty and permission

The difference between what you must do and what you may do.

  1. In Nederland ___ je op de fiets een helm te dragen. (moeten)
  2. In dit park ___ je fiets parkeren. (mogen)
  3. Toen ik klein was, ___ ik nog lang op straat spelen. (mogen)
  4. Je ___ dit jaar een nieuwe pas aanvragen, want je wordt 65. (moeten)
  5. Op de verpleegafdeling ___ bezoekers na zeven uur niet meer komen. (mogen)
  6. We ___ ons vandaag verplicht melden bij de bibliotheek, want de boeken zijn te laat. (moeten)
  7. In deze zaal ___ je niet roken. (mogen)
  8. Als je het niet eens bent, ___ je het gewoon zeggen. (moeten)
  9. Een huurder ___ de woning zelf opknappen, als hij dat wil. (mogen)
  10. We moeten de rekening ___ voordat de tijd is verstreken. (betalen)
  11. Wie iets uit de bibliotheek wil lenen, ___ een geldig identiteitsbewijs tonen. (moeten)
  12. In dit restaurant ___ je binnen na een half uur niet meer komen. (mogen)