Learn Dutch
B1 · Verbs

Advising and suggesting

Raad aan, stel voor, adviseer: giving advice in Dutch.

  1. Ik raad je aan om dit jaar een cursus te ___. (volgen)
  2. Mijn leraar adviseert ons ___ de oefeningen te herhalen. (adviseren)
  3. Ik stel voor dat we de vergadering naar volgende week ___. (verzetten)
  4. Zou je willen dat ik de afspraak ___, of pas jij hem aan? (verzetten)
  5. Ik zou je willen vragen of je misschien wilt ___. (helpen)
  6. Waarom neem je niet een vrij dag? Dan kun je ___ rust. (uithuilen)
  7. De dokter raadt aan minder zout te ___. (gebruiken)
  8. Ik stel voor dat je eerst even ___, en dan beslist. (navragen)
  9. Misschien is het slim om de prijs te ___ voordat je bestelt. (vergelijken)
  10. Ik zou je aanraden om de zaak even ___ voordat je een beslissing neemt. (uitzoeken)
  11. Wij adviseren u de wachttijd van veertien dagen in ___ houden. (rekening)
  12. Ik stel voor dat we het meteen ___, dan zijn we er vandaag nog. (regelen)