B1 · Verbs
Advising and suggesting
Raad aan, stel voor, adviseer: giving advice in Dutch.
- Ik raad je aan om dit jaar een cursus te ___. (volgen)
- Mijn leraar adviseert ons ___ de oefeningen te herhalen. (adviseren)
- Ik stel voor dat we de vergadering naar volgende week ___. (verzetten)
- Zou je willen dat ik de afspraak ___, of pas jij hem aan? (verzetten)
- Ik zou je willen vragen of je misschien wilt ___. (helpen)
- Waarom neem je niet een vrij dag? Dan kun je ___ rust. (uithuilen)
- De dokter raadt aan minder zout te ___. (gebruiken)
- Ik stel voor dat je eerst even ___, en dan beslist. (navragen)
- Misschien is het slim om de prijs te ___ voordat je bestelt. (vergelijken)
- Ik zou je aanraden om de zaak even ___ voordat je een beslissing neemt. (uitzoeken)
- Wij adviseren u de wachttijd van veertien dagen in ___ houden. (rekening)
- Ik stel voor dat we het meteen ___, dan zijn we er vandaag nog. (regelen)