Learn Dutch
B1 · Verbs

Modals in subordinate clauses

Dat hij kan zwemmen: the modal and the infinitive at the end.

  1. Ik weet niet of hij nog ___ zwemmen. (kunnen)
  2. Zij vroeg of we de vergadering moesten ___. (bijwonen)
  3. Ik betwijfel of hij dat ___ willen doen. (willen)
  4. We vroegen of hij naar de cursus zou ___. (gaan)
  5. Ik weet niet of het morgen gaat ___. (regenen)
  6. Hij legde uit waarom hij niet had kunnen ___. (komen)
  7. We weten niet of de winkel vanavond nog ___ is. (openen)
  8. Zij vraagt of ik mee ___ naar het zwembad. (willen)
  9. Ik hoorde dat de leraar de leerlingen had verboden te ___. (telefoneren)
  10. Niemand weet of de trein op tijd zal ___. (aankomen)
  11. De regels leggen vast dat je altijd je naam moet ___ aan de balie. (noemen)
  12. Ik vraag me af of ze het rapport al hebben kunnen ___. (afmaken)