B1 · Verbs
Modals in subordinate clauses
Dat hij kan zwemmen: the modal and the infinitive at the end.
- Ik weet niet of hij nog ___ zwemmen. (kunnen)
- Zij vroeg of we de vergadering moesten ___. (bijwonen)
- Ik betwijfel of hij dat ___ willen doen. (willen)
- We vroegen of hij naar de cursus zou ___. (gaan)
- Ik weet niet of het morgen gaat ___. (regenen)
- Hij legde uit waarom hij niet had kunnen ___. (komen)
- We weten niet of de winkel vanavond nog ___ is. (openen)
- Zij vraagt of ik mee ___ naar het zwembad. (willen)
- Ik hoorde dat de leraar de leerlingen had verboden te ___. (telefoneren)
- Niemand weet of de trein op tijd zal ___. (aankomen)
- De regels leggen vast dat je altijd je naam moet ___ aan de balie. (noemen)
- Ik vraag me af of ze het rapport al hebben kunnen ___. (afmaken)