B1 · Verbs
Bedoelen, van plan zijn, voornemen
Van plan zijn om te…, van zins zijn om te…
- Wij zijn van plan om in augustus naar Schotland te ___. (gaan)
- Ze was van zins om de oude koopwagen te ___ maar het werd te duur. (verkopen)
- Hij is van plan om zijn excuses aan te bieden voor het ___. (verzuimen)
- We zijn van zins om dit jaar minder te ___. (reizen)
- De firma was van plan om de vestiging in Utrecht te ___. (sluiten)
- Ik heb geen zin om vanavond nog naar de bioscoop te ___. (gaan)
- Ze heeft zin om het weekend naar zee te ___. (gaan)
- Het is de bedoeling dat iedereen de handleiding ___ doorneemt. (lezen)
- Wij zijn van plan om de oude fietsen aan de buurt te ___. (verkopen)
- Hij had zin om die cursus in het voorjaar te ___. (volgen)
- Er is geen zin om nu al te ___, want de plannen veranderen nog. (boeken)
- Ons voornemen is om de dienst in het voorjaar te ___. (hervatten)