Learn Dutch
B1 · Verbs

Bedoelen, van plan zijn, voornemen

Van plan zijn om te…, van zins zijn om te…

  1. Wij zijn van plan om in augustus naar Schotland te ___. (gaan)
  2. Ze was van zins om de oude koopwagen te ___ maar het werd te duur. (verkopen)
  3. Hij is van plan om zijn excuses aan te bieden voor het ___. (verzuimen)
  4. We zijn van zins om dit jaar minder te ___. (reizen)
  5. De firma was van plan om de vestiging in Utrecht te ___. (sluiten)
  6. Ik heb geen zin om vanavond nog naar de bioscoop te ___. (gaan)
  7. Ze heeft zin om het weekend naar zee te ___. (gaan)
  8. Het is de bedoeling dat iedereen de handleiding ___ doorneemt. (lezen)
  9. Wij zijn van plan om de oude fietsen aan de buurt te ___. (verkopen)
  10. Hij had zin om die cursus in het voorjaar te ___. (volgen)
  11. Er is geen zin om nu al te ___, want de plannen veranderen nog. (boeken)
  12. Ons voornemen is om de dienst in het voorjaar te ___. (hervatten)