Learn Dutch
B1 · Verbs

Verbs that look alike

Legen/liggen, zetten/zitten, staan/steunen: act and state.

  1. De winkel heeft het bord buiten op de grond ___. (leggen)
  2. Het bord lag de hele ochtend buiten op de grond ___. (liggen)
  3. Ze heeft de bloemen in de vaas ___. (zetten)
  4. De bloemen staan al een week in de vaas ___. (staan)
  5. De tafel ___ met vier poten op de vloer. (staan)
  6. Die bank ___ al een jaar in de tuin. (staan)
  7. Hij ___ tegen de deur en belde aan. (leunen)
  8. We moeten de tafel nog even ___, hij staat in de weg. (verzetten)
  9. De prijs is met tien procent ___. (stijgen)
  10. Het water is de afgelopen drie dagen niet ___. (dalen)
  11. De vergadering is ___. (beginnen)
  12. Wij hebben de hele ochtend op de nieuwe lijn ___. (wachten)