B1 · Verbs
Verbs that look alike
Legen/liggen, zetten/zitten, staan/steunen: act and state.
- De winkel heeft het bord buiten op de grond ___. (leggen)
- Het bord lag de hele ochtend buiten op de grond ___. (liggen)
- Ze heeft de bloemen in de vaas ___. (zetten)
- De bloemen staan al een week in de vaas ___. (staan)
- De tafel ___ met vier poten op de vloer. (staan)
- Die bank ___ al een jaar in de tuin. (staan)
- Hij ___ tegen de deur en belde aan. (leunen)
- We moeten de tafel nog even ___, hij staat in de weg. (verzetten)
- De prijs is met tien procent ___. (stijgen)
- Het water is de afgelopen drie dagen niet ___. (dalen)
- De vergadering is ___. (beginnen)
- Wij hebben de hele ochtend op de nieuwe lijn ___. (wachten)