Learn Dutch
B1 · Verbs

Werken with a person or an object

Werken aan, werken voor, werken met, werken op.

  1. Ik werk al een jaar ___ een boek over de geschiedenis van de stad. (werken)
  2. Mijn zuster werkt ___ een ziekenhuis in Groningen. (werken)
  3. We werken hier met drie mensen samen ___. (werken)
  4. De technici werken ___ de oude lift. (werken)
  5. Toen ik in de fabriek werkte, werkte ik met heel jonge mensen ___. (samenwerken)
  6. Zij werkt hard om de deadline te ___. (halen)
  7. Ik heb lang ___ die klant gewerkt. (werken)
  8. We hebben dit jaar aan verschillende projecten ___. (werken)
  9. Mijn baas werkt ___ de afdeling financiële administratie. (werken)
  10. In de uitgeverij ben ik al tien jaar werkzaam, en daar ___ ik nog steeds. (werken)
  11. De studenten moeten hun stage ___ een bedrijf in de buurt. (doen)
  12. We werken al jaren samen ___ het onderhoud van de parkeergarage. (werken)