B1 · Verbs
Werken with a person or an object
Werken aan, werken voor, werken met, werken op.
- Ik werk al een jaar ___ een boek over de geschiedenis van de stad. (werken)
- Mijn zuster werkt ___ een ziekenhuis in Groningen. (werken)
- We werken hier met drie mensen samen ___. (werken)
- De technici werken ___ de oude lift. (werken)
- Toen ik in de fabriek werkte, werkte ik met heel jonge mensen ___. (samenwerken)
- Zij werkt hard om de deadline te ___. (halen)
- Ik heb lang ___ die klant gewerkt. (werken)
- We hebben dit jaar aan verschillende projecten ___. (werken)
- Mijn baas werkt ___ de afdeling financiële administratie. (werken)
- In de uitgeverij ben ik al tien jaar werkzaam, en daar ___ ik nog steeds. (werken)
- De studenten moeten hun stage ___ een bedrijf in de buurt. (doen)
- We werken al jaren samen ___ het onderhoud van de parkeergarage. (werken)