B1 · Verbs
Small verb groups of everyday verbs
Houden van, kunnen om, hopen op: a verb and its partner.
- Ik houd erg veel ___ wandelen langs het water. (houden)
- Hoe heet is het eigenlijk? We kunnen het niet ___ zonder jas. (kunnen)
- We hopen op een mooi ___ bij de bruiloft. (hopen)
- Mijn ouders zorgen goed ___ ons als we ziek zijn. (zorgen)
- We hebben echt ___ van die reis naar Zeeland. (genieten)
- Ze heeft maanden gewacht op de ___ van de operatie. (wachten)
- Hij houdt er ___ mee dat de prijzen kunnen stijgen. (houden)
- Kun je omgaan met die situatie, of hebben we hulp ___? (kunnen)
- Wij rekenen op een rustige week in het ___. (rekenen)
- Ze heeft oog voor detail, dat merk je meteen aan haar ___. (hebben)
- We moeten rekening houden met de ___. van de excursie. (houden)
- Ik ben blij dat we kunnen bellen op elk gewenst ___. (kunnen)