Learn Dutch
B1 · Verbs

Small verb groups of everyday verbs

Houden van, kunnen om, hopen op: a verb and its partner.

  1. Ik houd erg veel ___ wandelen langs het water. (houden)
  2. Hoe heet is het eigenlijk? We kunnen het niet ___ zonder jas. (kunnen)
  3. We hopen op een mooi ___ bij de bruiloft. (hopen)
  4. Mijn ouders zorgen goed ___ ons als we ziek zijn. (zorgen)
  5. We hebben echt ___ van die reis naar Zeeland. (genieten)
  6. Ze heeft maanden gewacht op de ___ van de operatie. (wachten)
  7. Hij houdt er ___ mee dat de prijzen kunnen stijgen. (houden)
  8. Kun je omgaan met die situatie, of hebben we hulp ___? (kunnen)
  9. Wij rekenen op een rustige week in het ___. (rekenen)
  10. Ze heeft oog voor detail, dat merk je meteen aan haar ___. (hebben)
  11. We moeten rekening houden met de ___. van de excursie. (houden)
  12. Ik ben blij dat we kunnen bellen op elk gewenst ___. (kunnen)