Learn Dutch
B1 · Verbs

Fixed expressions with verbs

Ter zake, te paard, in orde: verbs in set phrases.

  1. We moeten iets aan die klacht ___. (doen)
  2. We gaan dit weekend te paard ___. (gaan)
  3. Alles is in ___? Dan zijn we klaar. (zijn)
  4. We moeten de buurt op de hoogte ___ van de verbouwing. (brengen)
  5. De zorgsector staat al jaren onder grote ___. (staan)
  6. De directeur nam een paar minuten de tijd om ons ___. (informeren)
  7. We moeten de rekeningen ___ en de belastingaangifte doen. (nakijken)
  8. Hij stelde het voor om het probleem op te ___ en er een dag voor te nemen. (pakken)
  9. Tijdens de piek staat er vaak verkeer ___. (staan)
  10. We moeten de oude spullen weg ___ en het huis opknappen. (gooien)
  11. Ik ben er van ___ dat hij komt, hij zei het toch zelf. (zijn)
  12. Wij moeten ons ___, er is nog veel te doen. (inspannen)