Learn Dutch
B1 · Verbs

Beginnen and stoppen with time

Beginnen met, stoppen met, doorgaan met: a verb and its partner.

  1. Ik begin elke dag met tien minuten ___. (wandelen)
  2. Hij stopt vandaag met ___, het is tijd voor iets anders. (roken)
  3. We gaan ___ met het project, ook al duurt het lang. (gaan)
  4. Ze begonnen het jaar met een ___. (wandeling)
  5. Ik stop met lezen, ik ___ al drie weken niets meer. (lezen)
  6. Na de pauze zijn we begonnen ___ de volgende opgave. (beginnen)
  7. Het regende, maar we zijn toch ___ met de wandeling. (gaan)
  8. Hij ___ altijd met een complimentje en dan komt de klacht. (beginnen)
  9. Wij moeten ___ met roken, de gezondheidscentrale heeft het gezegd. (stoppen)
  10. De trein stopt in Utrecht om de reizigers uit te ___. (laten)
  11. We moeten hier ___ met wachten, het duurt al een uur. (doorgaan)
  12. Zij is ___ met pianoles en dat gaat heel goed. (beginnen)