B1 · Verbs
Beginnen and stoppen with time
Beginnen met, stoppen met, doorgaan met: a verb and its partner.
- Ik begin elke dag met tien minuten ___. (wandelen)
- Hij stopt vandaag met ___, het is tijd voor iets anders. (roken)
- We gaan ___ met het project, ook al duurt het lang. (gaan)
- Ze begonnen het jaar met een ___. (wandeling)
- Ik stop met lezen, ik ___ al drie weken niets meer. (lezen)
- Na de pauze zijn we begonnen ___ de volgende opgave. (beginnen)
- Het regende, maar we zijn toch ___ met de wandeling. (gaan)
- Hij ___ altijd met een complimentje en dan komt de klacht. (beginnen)
- Wij moeten ___ met roken, de gezondheidscentrale heeft het gezegd. (stoppen)
- De trein stopt in Utrecht om de reizigers uit te ___. (laten)
- We moeten hier ___ met wachten, het duurt al een uur. (doorgaan)
- Zij is ___ met pianoles en dat gaat heel goed. (beginnen)