B1 · Verbs
Verbs that take a time expression
Duur, wachten, nemen, trekken: a verb and its time partner.
- Het duurde langer dan we ___. (verwachten)
- We hebben ruim twee uur op de trein ___. (wachten)
- De hele operatie heeft lang ___. (duren)
- Volgens het programma ___ het concert om tien uur beginnen. (beginnen)
- We moeten nog een paar weken ___ voordat de resultaten bekend zijn. (wachten)
- De vergadering duurde langer dan de ___. (agenda)
- Het ___ even voor ik het snap, het is nogal ingewikkeld. (duren)
- Vorig jaar ___ de beurs meer dan dertigduizend bezoekers. (trekken)
- De restauratie heeft bijna een jaar ___. (duren)
- Ik ___ al een half uur op de bus, hij komt maar niet. (wachten)
- Het kostte ons een hele ochtend om de programma's over te ___ naar de nieuwe computer. (zetten)
- Dat ___ ons veel tijd, maar het resultaat is het waard. (kosten)