Learn Dutch
B1 · Verbs

Verbs that take a time expression

Duur, wachten, nemen, trekken: a verb and its time partner.

  1. Het duurde langer dan we ___. (verwachten)
  2. We hebben ruim twee uur op de trein ___. (wachten)
  3. De hele operatie heeft lang ___. (duren)
  4. Volgens het programma ___ het concert om tien uur beginnen. (beginnen)
  5. We moeten nog een paar weken ___ voordat de resultaten bekend zijn. (wachten)
  6. De vergadering duurde langer dan de ___. (agenda)
  7. Het ___ even voor ik het snap, het is nogal ingewikkeld. (duren)
  8. Vorig jaar ___ de beurs meer dan dertigduizend bezoekers. (trekken)
  9. De restauratie heeft bijna een jaar ___. (duren)
  10. Ik ___ al een half uur op de bus, hij komt maar niet. (wachten)
  11. Het kostte ons een hele ochtend om de programma's over te ___ naar de nieuwe computer. (zetten)
  12. Dat ___ ons veel tijd, maar het resultaat is het waard. (kosten)