Learn Dutch
B1 · Verbs

Would: zou + infinitive

Hypotheses, polite requests and reported plans.

  1. Als ik meer tijd ___, zou ik vaker gaan zwemmen. (hebben)
  2. Ik weet zeker dat hij het cadeau leuk ___. (vinden)
  3. Wat ___ jij doen als je de loterij won? (zullen)
  4. Mevrouw, ___ u even willen wachten? (zullen)
  5. Als we nu ___, zouden we de bus nog halen. (vertrekken)
  6. Mijn vrienden zeiden dat ze me met de verhuizing ___. (helpen)
  7. Als jij burgemeester ___, wat zou je dan veranderen? (zijn)
  8. Wij ___ graag een tafel voor vier personen willen reserveren. (zullen)
  9. Ik dacht dat de winkel vandaag open ___. (zijn)
  10. Ze beloofde dat ze me vanavond ___. (bellen)
  11. Als ik beter Nederlands ___, zou ik bij de gemeente solliciteren. (spreken)
  12. Het ___ fijn zijn als je even terugbelt. (zullen)