Learn Dutch
B1 · Verbs

Verb clusters with a modal

Two verbs at the end: zou willen, moest geven, kan bellen…

  1. Ik heb hem gevraagd of hij met de verhuizing ___. (willen)
  2. Mijn chef zei dat ik de presentatie ___. (moeten)
  3. Ze had graag naar het concert ___ gaan, maar het regende. (willen)
  4. De directeur vroeg of wij de opdracht ___. (aannemen)
  5. Ik moet je iets ___. (vragen)
  6. Je mag niet ___ in de bibliotheek. (schreeuwen)
  7. Als je niet belt, ___ we je niet terugbellen. (kunnen)
  8. Omdat hij te laat was, ___ hij de vergadering missen. (moeten)
  9. Ik weet niet of ik dat ___. (kunnen)
  10. Ze vroeg of we de vergadering ___. (kunnen)
  11. Hij was moe, maar hij ___ nog doorwerken. (willen)
  12. Ik heb haar gezegd dat ik het ___. (doen)