Learn Dutch
B1 · Verbs

The passive with modals

moeten/kan/zal + worden + participle, and hoeven geen … te.

  1. De oude brug moet voor 2027 ___. (vervangen)
  2. Alle aanvragen moeten vóór vrijdag ___. (inzenden)
  3. Het dak zal volgende zomer ___. (renoveren)
  4. In het theater mag tijdens de voorstelling niet ___. (fotograferen)
  5. De huur kan in twee termijnen ___. (betalen)
  6. De rekening is al ___. (betalen)
  7. Het gras is vanochtend ___. (maaien)
  8. Je hoeft geen formulier ___. (invullen)
  9. We hoeven niets te ___. (veranderen)
  10. Ik weet niet wanneer de nieuwe regels ___. (publiceren)
  11. Ze vroeg of de rekening al ___. (betalen)
  12. Er ___ vaak over de planspraak gesproken. (worden)