Learn Dutch
B1 · Verbs

Zou in a real condition

Present tense in the if-clause, zou in the main clause.

  1. Als het morgen mooi weer is, ___ we naar het station fietsen. (zullen)
  2. Als je zin hebt om mee te eten, ___ je vanavond langskomen. (zullen)
  3. Zou je me even ___ hoe ik dit formulier moet invullen? (uitleggen)
  4. Volgens mij ___ dat project volgend jaar klaar zijn. (zijn)
  5. We ___ gisteren naar de bioscoop gaan, maar het regende te hard. (zullen)
  6. Toen ik klein was, ___ ik arts worden. (zullen)
  7. Ik dacht dat het boek ___ interessant zijn. (zijn)
  8. Als de trein om tien uur vertrekt, ___ we de trein nog netjes halen. (zullen)
  9. ___ het niet beter zijn als we de vergadering naar vrijdag verplaatsen? (zijn)
  10. Hij zei dat hij volgend jaar in Utrecht ___. (wonen)
  11. Wist je dat het nieuwe zwembad volgend jaar ___? (openen)
  12. Ik wist niet wanneer de trein ___. (vertrekken)