B1 · Verbs
Zou in a real condition
Present tense in the if-clause, zou in the main clause.
- Als het morgen mooi weer is, ___ we naar het station fietsen. (zullen)
- Als je zin hebt om mee te eten, ___ je vanavond langskomen. (zullen)
- Zou je me even ___ hoe ik dit formulier moet invullen? (uitleggen)
- Volgens mij ___ dat project volgend jaar klaar zijn. (zijn)
- We ___ gisteren naar de bioscoop gaan, maar het regende te hard. (zullen)
- Toen ik klein was, ___ ik arts worden. (zullen)
- Ik dacht dat het boek ___ interessant zijn. (zijn)
- Als de trein om tien uur vertrekt, ___ we de trein nog netjes halen. (zullen)
- ___ het niet beter zijn als we de vergadering naar vrijdag verplaatsen? (zijn)
- Hij zei dat hij volgend jaar in Utrecht ___. (wonen)
- Wist je dat het nieuwe zwembad volgend jaar ___? (openen)
- Ik wist niet wanneer de trein ___. (vertrekken)