Learn Dutch
B1 · Verbs

I had to / I could have

Modal verbs in the perfect: heb moeten werken, had kunnen bellen.

  1. Ik heb gisteren tot negen uur ___ werken. (moeten)
  2. We hebben de film niet ___ zien, want hij was uitverkocht. (kunnen)
  3. Dat heb ik nooit ___. (willen)
  4. Je had me best even ___ bellen. (kunnen)
  5. Hij had eerder naar de dokter ___ gaan. (moeten)
  6. Als kind heb ik nooit lang ___ opblijven. (mogen)
  7. Ik heb het geprobeerd, maar ik heb het niet ___. (kunnen)
  8. Ze ___ niet mee, want ze was ziek. (kunnen)
  9. Hij zei dat hij die baan nooit had ___ hebben. (willen)
  10. Waarom heb je me niet ___ helpen? (willen)
  11. Jullie ___ gisteren eigenlijk niet zo laat thuiskomen. (mogen)
  12. Ik weet dat ik het formulier eerder had ___ invullen. (moeten)