B1 · Verbs
I had to / I could have
Modal verbs in the perfect: heb moeten werken, had kunnen bellen.
- Ik heb gisteren tot negen uur ___ werken. (moeten)
- We hebben de film niet ___ zien, want hij was uitverkocht. (kunnen)
- Dat heb ik nooit ___. (willen)
- Je had me best even ___ bellen. (kunnen)
- Hij had eerder naar de dokter ___ gaan. (moeten)
- Als kind heb ik nooit lang ___ opblijven. (mogen)
- Ik heb het geprobeerd, maar ik heb het niet ___. (kunnen)
- Ze ___ niet mee, want ze was ziek. (kunnen)
- Hij zei dat hij die baan nooit had ___ hebben. (willen)
- Waarom heb je me niet ___ helpen? (willen)
- Jullie ___ gisteren eigenlijk niet zo laat thuiskomen. (mogen)
- Ik weet dat ik het formulier eerder had ___ invullen. (moeten)