B1 · Verbs
The passive in all tenses
wordt/werd, is/was + participle, and passives with zal, moet, kan, mag.
- De nieuwe brug zal volgend jaar ___. (bouwen)
- Dit formulier moet voor 1 mei ___. (invullen)
- De ramen ___ vorige week door een glazenwasser gelapt. (worden)
- Weet je of de vergadering al is ___? (afzeggen)
- Het huis was al ___ voordat wij het konden bezichtigen. (verkopen)
- Er ___ op dit moment hard aan de nieuwe website gewerkt. (worden)
- Het pakket kan morgen ___. (bezorgen)
- De dief is gisteren door de politie ___. (arresteren)
- Toen ik thuiskwam, bleek dat er ___. (inbreken)
- Deze krant ___ vroeger door veel meer mensen gelezen. (worden)
- Hier mag niet ___. (parkeren)
- Er werd tijdens de les veel ___. (lachen)