Learn Dutch
B1 · Verbs

The passive in all tenses

wordt/werd, is/was + participle, and passives with zal, moet, kan, mag.

  1. De nieuwe brug zal volgend jaar ___. (bouwen)
  2. Dit formulier moet voor 1 mei ___. (invullen)
  3. De ramen ___ vorige week door een glazenwasser gelapt. (worden)
  4. Weet je of de vergadering al is ___? (afzeggen)
  5. Het huis was al ___ voordat wij het konden bezichtigen. (verkopen)
  6. Er ___ op dit moment hard aan de nieuwe website gewerkt. (worden)
  7. Het pakket kan morgen ___. (bezorgen)
  8. De dief is gisteren door de politie ___. (arresteren)
  9. Toen ik thuiskwam, bleek dat er ___. (inbreken)
  10. Deze krant ___ vroeger door veel meer mensen gelezen. (worden)
  11. Hier mag niet ___. (parkeren)
  12. Er werd tijdens de les veel ___. (lachen)