Learn Dutch
B1 · Verbs

Reflexive verbs in all tenses

zich voelen, zich herinneren, zich vergissen…

  1. Ik heb me vanochtend ___. (verslapen)
  2. Hij ___ zich elke ochtend in de badkamer. (scheren)
  3. Vroeger ___ ik me nooit zorgen over geld. (maken)
  4. Sorry, ik heb me ___: de afspraak is morgen. (vergissen)
  5. ___ je je die vakantie in Italië nog? (herinneren)
  6. Ze heeft zich gisteren voor de cursus ___. (inschrijven)
  7. Toen we klein waren, ___ we ons altijd netjes bij oma. (gedragen)
  8. Mag ik me even ___? Ik ben Sanne. (voorstellen)
  9. ___ jullie je niet op zo'n lange reis? (vervelen)
  10. Ik ___ me afgelopen weekend niet zo lekker. (voelen)
  11. Na de verhuizing hebben de kinderen zich snel ___. (aanpassen)
  12. Hij ___ zich al weken op zijn examen voor. (voorbereiden)