B1 · Verbs
Reflexive verbs in all tenses
zich voelen, zich herinneren, zich vergissen…
- Ik heb me vanochtend ___. (verslapen)
- Hij ___ zich elke ochtend in de badkamer. (scheren)
- Vroeger ___ ik me nooit zorgen over geld. (maken)
- Sorry, ik heb me ___: de afspraak is morgen. (vergissen)
- ___ je je die vakantie in Italië nog? (herinneren)
- Ze heeft zich gisteren voor de cursus ___. (inschrijven)
- Toen we klein waren, ___ we ons altijd netjes bij oma. (gedragen)
- Mag ik me even ___? Ik ben Sanne. (voorstellen)
- ___ jullie je niet op zo'n lange reis? (vervelen)
- Ik ___ me afgelopen weekend niet zo lekker. (voelen)
- Na de verhuizing hebben de kinderen zich snel ___. (aanpassen)
- Hij ___ zich al weken op zijn examen voor. (voorbereiden)