Learn Dutch
B1 · Verbs

The passive

worden/zijn + past participle.

  1. Het nieuwe zwembad wordt volgend jaar ___. (openen)
  2. De brief is gisteren al ___. (versturen)
  3. In Nederland wordt veel kaas ___. (produceren)
  4. Mijn fiets is vannacht ___. (stelen)
  5. Ik weet niet of het pakketje al ___. (bezorgen)
  6. De vergadering ___ gisteren door de voorzitter geopend. (worden)
  7. Op zaterdag ___ er op kantoor niet gewerkt. (worden)
  8. De Nachtwacht is in 1642 door Rembrandt ___. (schilderen)
  9. De patiënt werd meteen naar het ziekenhuis ___. (brengen)
  10. Hij vertelde dat zijn auto al twee keer ___. (repareren)
  11. Het afval ___ elke dinsdag opgehaald. (worden)
  12. Alle kandidaten worden voor een gesprek ___. (uitnodigen)