B1 · Verbs
The passive
worden/zijn + past participle.
- Het nieuwe zwembad wordt volgend jaar ___. (openen)
- De brief is gisteren al ___. (versturen)
- In Nederland wordt veel kaas ___. (produceren)
- Mijn fiets is vannacht ___. (stelen)
- Ik weet niet of het pakketje al ___. (bezorgen)
- De vergadering ___ gisteren door de voorzitter geopend. (worden)
- Op zaterdag ___ er op kantoor niet gewerkt. (worden)
- De Nachtwacht is in 1642 door Rembrandt ___. (schilderen)
- De patiënt werd meteen naar het ziekenhuis ___. (brengen)
- Hij vertelde dat zijn auto al twee keer ___. (repareren)
- Het afval ___ elke dinsdag opgehaald. (worden)
- Alle kandidaten worden voor een gesprek ___. (uitnodigen)