Learn Dutch
B1 · Verbs

The past perfect

had/was + past participle.

  1. Ik was moe omdat ik slecht ___. (slapen)
  2. Toen we op het station kwamen, bleek dat de trein al ___. (vertrekken)
  3. Ze vertelde dat ze die film al twee keer ___. (zien)
  4. Nadat hij de afwas ___, ging hij op de bank zitten. (doen)
  5. We wisten niet dat jullie al ___. (verhuizen)
  6. Hij was boos omdat hij zijn portemonnee ___. (verliezen)
  7. Omdat het de hele nacht ___, was het gras nat. (regenen)
  8. Ik had niet verwacht dat je zo snel ___. (terugkomen)
  9. Ze sprak al goed Nederlands, omdat ze een jaar les ___. (nemen)
  10. Nadat de vergadering ___, ging iedereen naar huis. (eindigen)
  11. Ik herkende hem niet, omdat hij zo ___. (veranderen)
  12. Mijn moeder vroeg of ik mijn huiswerk al ___. (maken)