B1 · Verbs
The past perfect
had/was + past participle.
- Ik was moe omdat ik slecht ___. (slapen)
- Toen we op het station kwamen, bleek dat de trein al ___. (vertrekken)
- Ze vertelde dat ze die film al twee keer ___. (zien)
- Nadat hij de afwas ___, ging hij op de bank zitten. (doen)
- We wisten niet dat jullie al ___. (verhuizen)
- Hij was boos omdat hij zijn portemonnee ___. (verliezen)
- Omdat het de hele nacht ___, was het gras nat. (regenen)
- Ik had niet verwacht dat je zo snel ___. (terugkomen)
- Ze sprak al goed Nederlands, omdat ze een jaar les ___. (nemen)
- Nadat de vergadering ___, ging iedereen naar huis. (eindigen)
- Ik herkende hem niet, omdat hij zo ___. (veranderen)
- Mijn moeder vroeg of ik mijn huiswerk al ___. (maken)