Learn Dutch
B1 · Verbs

Te + infinitive

With te, with om … te, or without te.

  1. Ik probeer elke dag tien nieuwe woorden ___. (leren)
  2. Mag ik je iets ___? (vragen)
  3. Vergeet niet de achterdeur ___. (afsluiten)
  4. Ze heeft besloten een eigen bedrijf ___. (beginnen)
  5. We hebben geen zin om vanavond ___. (koken)
  6. Hij ging naar de bibliotheek om een boek ___. (lenen)
  7. Het is niet toegestaan om hier ___. (roken)
  8. Ik hoop je snel weer ___. (zien)
  9. Je hoeft morgen niet ___. (komen)
  10. Ze stond al een kwartier op de bus ___. (wachten)
  11. Ben je van plan om de presentatie goed ___? (voorbereiden)
  12. Het lukt me niet om dit formulier ___. (invullen)