B1 · Verbs
Te + infinitive
With te, with om … te, or without te.
- Ik probeer elke dag tien nieuwe woorden ___. (leren)
- Mag ik je iets ___? (vragen)
- Vergeet niet de achterdeur ___. (afsluiten)
- Ze heeft besloten een eigen bedrijf ___. (beginnen)
- We hebben geen zin om vanavond ___. (koken)
- Hij ging naar de bibliotheek om een boek ___. (lenen)
- Het is niet toegestaan om hier ___. (roken)
- Ik hoop je snel weer ___. (zien)
- Je hoeft morgen niet ___. (komen)
- Ze stond al een kwartier op de bus ___. (wachten)
- Ben je van plan om de presentatie goed ___? (voorbereiden)
- Het lukt me niet om dit formulier ___. (invullen)