Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Participles as adjectives

de gesloten deur, de bezorgde ouders, het rijdende busje.

  1. De ___ directeur begon in januari met de reorganisatie. (resigneren)
  2. De deur van de gemeenschapshal is al ___; de sleutel is kwijt. (sluiten)
  3. De ___ ouders hebben samen een klacht ingediend. (bezorgd)
  4. Wij zagen een ___ busje richting het station. (rijden)
  5. Het rapport is ___ door de commissie in mei. (goedkeuren)
  6. De ___ prijzen hebben de huishoudens flink geraakt. (stijgen)
  7. Onze nieuwe collega is heel ___ over het onderwerp. (begeisteren)
  8. Dat is een ___ onderneming, met vestigingen in heel Europa. (uitbreiden)
  9. De stad is ___ door de overstroming van vorig jaar. (veranderen)
  10. Zij sprak met een ___ man die zijn papieren kwijt was. (verdwalen)
  11. De tekst, ___ in 1880 voor het eerst verscheen, is zeldzaam. (verschijnen)
  12. Het boek is al ___; er is nog één exemplaar over. (verkopen)