Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Irregular participles as adjectives

het geschreven bericht, de gebroken belofte, de gevonden portefeuille.

  1. Het ___ bericht van de burgemeester is vandaag verschenen. (schrijven)
  2. De ___ belofte maakte de relatie onmogelijk. (breken)
  3. De politie heeft de ___ portefeuille aan de eigenaar teruggegeven. (vinden)
  4. Het ___ huis staat al jaren leeg. (bouwen)
  5. Zij nam de ___ beslissing zonder overleg. (nemen)
  6. Wij hebben het ___ contract voor de derde keer gelezen. (lezen)
  7. De klant had een ___ vraag over de levertijd. (stellen)
  8. Hij is de ___ man van het team. (kiezen)
  9. Dit is de ___ prijs die wij ooit kregen. (geven)
  10. Wij moeten de ___ feiten eerst op een rij zetten. (begrijpen)
  11. De ___ relatie tussen de twee afdelingen is duidelijk zichtbaar. (dragen)
  12. Hij schreef een ___ brief aan de gemeente. (schrijven)