Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

The comparative with -er

ouder, moeilijker, moderner; de -e before a de-word.

  1. Mijn broer is ___ dan ik. (oud)
  2. Dit is een ___ voorstel dan dat van vorig jaar. (groot)
  3. Het examen was ___ dan ik had verwacht. (moeilijk)
  4. Deze straat is ___ dan de Breestraat. (smal)
  5. Het hotel is ___ dan het hotel van vorig jaar. (duur)
  6. Zij werkt ___ dan haar collega's. (hard)
  7. Wij hebben een ___ huis gezocht. (modern)
  8. Het was een ___ avond dan de avond ervoor. (warm)
  9. De prijs is ___ geworden dan hij was. (hoog)
  10. Die oplossing is ___ dan de onze. (eenvoudig)
  11. Hoe ___ de file was, hoe boos de automobilisten werden. (groot)
  12. Zij heeft een ___ opleiding dan haar broer. (hoog)