B2 · Adjectives & articles
The comparative with -er
ouder, moeilijker, moderner; de -e before a de-word.
- Mijn broer is ___ dan ik. (oud)
- Dit is een ___ voorstel dan dat van vorig jaar. (groot)
- Het examen was ___ dan ik had verwacht. (moeilijk)
- Deze straat is ___ dan de Breestraat. (smal)
- Het hotel is ___ dan het hotel van vorig jaar. (duur)
- Zij werkt ___ dan haar collega's. (hard)
- Wij hebben een ___ huis gezocht. (modern)
- Het was een ___ avond dan de avond ervoor. (warm)
- De prijs is ___ geworden dan hij was. (hoog)
- Die oplossing is ___ dan de onze. (eenvoudig)
- Hoe ___ de file was, hoe boos de automobilisten werden. (groot)
- Zij heeft een ___ opleiding dan haar broer. (hoog)