Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

The superlative as an adverb

zij werkt het hardst, hij rijdt het snelst.

  1. Hij werkt ___ op de bouwplaats. (hard)
  2. Deze fiets is ___ in het peloton. (snel)
  3. Zij reageerde ___ van iedereen. (kalm)
  4. Wij verkopen de ___ tickets van het seizoen. (goedkoop)
  5. Die uitkomst trok ___ aan de aandacht. (opvallend)
  6. Hij speelde ___ in het team van vorige jaar. (goed)
  7. De klant klaagde ___ over de vertraging. (luid)
  8. Over dat onderwerp wil ik het ___ praten. (duidelijk)
  9. Hij lag ___ in bed. (ziek)
  10. De communicatie verliep ___ dan wij hadden gehoopt. (goed)
  11. Wij moeten het rapport ___ nakijken. (zorgvuldig)
  12. De stemming was het ___ die we lange hadden gehad. (gedempt)