B2 · Adjectives & articles
The superlative as an adverb
zij werkt het hardst, hij rijdt het snelst.
- Hij werkt ___ op de bouwplaats. (hard)
- Deze fiets is ___ in het peloton. (snel)
- Zij reageerde ___ van iedereen. (kalm)
- Wij verkopen de ___ tickets van het seizoen. (goedkoop)
- Die uitkomst trok ___ aan de aandacht. (opvallend)
- Hij speelde ___ in het team van vorige jaar. (goed)
- De klant klaagde ___ over de vertraging. (luid)
- Over dat onderwerp wil ik het ___ praten. (duidelijk)
- Hij lag ___ in bed. (ziek)
- De communicatie verliep ___ dan wij hadden gehoopt. (goed)
- Wij moeten het rapport ___ nakijken. (zorgvuldig)
- De stemming was het ___ die we lange hadden gehad. (gedempt)