B2 · Adjectives & articles
Irregular comparatives
beter, meer, minder, dichter, hoger; de superlatieven erbij.
- Het ___ resultaat van het jaar. (goed)
- Wij hebben ___ tijd dan het vorig jaar. (veel)
- Er zijn ___ klachten dan in 2022. (weinig)
- Het station is ___ bij het kantoor dan de bushalte. (dicht)
- Het gebouw is ___ dan het oude pand ernaast. (oud)
- Deze aanpak is ___ dan de vorige. (hoog)
- Zij heeft ___ ervaring dan haar collega. (veel)
- Dat was de ___ vergissing van het hele project. (groot)
- De eerste aanbieding was ___ dan de tweede. (goed)
- Ik heb ___ vertrouwen in de oplossing dan jij. (veel)
- Het is ___ gelukt dan wij hadden gehoopt. (goed)
- Er blijft ___ tijd over dan gepland. (weinig)