Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Irregular comparatives

beter, meer, minder, dichter, hoger; de superlatieven erbij.

  1. Het ___ resultaat van het jaar. (goed)
  2. Wij hebben ___ tijd dan het vorig jaar. (veel)
  3. Er zijn ___ klachten dan in 2022. (weinig)
  4. Het station is ___ bij het kantoor dan de bushalte. (dicht)
  5. Het gebouw is ___ dan het oude pand ernaast. (oud)
  6. Deze aanpak is ___ dan de vorige. (hoog)
  7. Zij heeft ___ ervaring dan haar collega. (veel)
  8. Dat was de ___ vergissing van het hele project. (groot)
  9. De eerste aanbieding was ___ dan de tweede. (goed)
  10. Ik heb ___ vertrouwen in de oplossing dan jij. (veel)
  11. Het is ___ gelukt dan wij hadden gehoopt. (goed)
  12. Er blijft ___ tijd over dan gepland. (weinig)