Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

zo … dat: cause and result

zo duur dat, zo groot dat, zo moeilijk dat.

  1. De huur was ___ dat wij meteen een andere woning zochten. (duur)
  2. Het gebouw is ___ dat het hele blok in de schaduw ligt. (groot)
  3. De opgave was ___ dat niemand hem alleen kon maken. (moeilijk)
  4. Het was ___ dat niemand de vergadering bijwoonde. (koud)
  5. De file was ___ dat we een uur te laat waren. (lang)
  6. Wij konden ___ dat de opdracht binnen een dag klaar was. (snel)
  7. Het was ___ dat de mensen in de straten bleven staan. (druk)
  8. De reactie was ___ dat de minister de persconferentie afzegde. (heftig)
  9. De prijzen zijn niet ___ dat gezinnen afzien van vlees. (hoog)
  10. Het geluid was ___ dat de hele zaal het niet hoorde. (hard)
  11. Zij was ___ dat ze de controle bijna niet haalde. ( nerveus)
  12. Het aanbod was ___ dat wij meteen hebben afgesproken. (goed)