Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

redelijk, vrijwel, nagenoeg

redelijke prijs, vrijwel onmogelijk, nagenoeg hetzelfde.

  1. De gemeente hanteert een ___ uurtarief voor de huurders. (redelijk)
  2. Het is ___ onmogelijk om binnen een week te sluiten. (vrijwel)
  3. De kosten zijn ___ gelijk aan die van vorig jaar. (nagenoeg)
  4. Wij vragen om een ___ termijn voor de betaling. (redelijk)
  5. De procedure is ___ identiek aan die van 2019. (nagenoeg)
  6. Er zijn ___ geen klachten over de nieuwe dienstregeling. (vrijwel)
  7. Het voorstel is ___ haalbaar binnen het budget. (redelijk)
  8. Het is ___ onmogelijk om alle aanvragen binnen de termijn te behandelen. (vrijwel)
  9. Wij hopen op een ___ akkoord met de vakbond. (redelijk)
  10. Alle aanwezigen waren ___ tevreden met het voorstel. (nagenoeg)
  11. De gemeente verwacht ___ honderd aanvragen in het komende jaar. (bijna)
  12. Er is ___ een oplossing in zicht. (nagenoeg)