B2 · Adjectives & articles
bijna: almost
bijna alle, bijna geen, bijna hetzelfde, bijna klaar.
- ___ alle bewoners hebben meegedaan. (bijna)
- Er was ___ geen discussie over de nieuwe regels. (bijna)
- De twee versies zijn ___ hetzelfde. (bijna)
- Het werk was ___ klaar toen de tijd om was. (bijna)
- Wij hebben ___ een jaar aan het project gewerkt. (bijna)
- De prijzen zijn ___ verdubbeld. (bijna)
- ___ alle bewoners kwamen met een eigen voorstel. (bijna)
- Het is ___ onmogelijk om op tijd te zijn. (bijna)
- De vergadering duurde ___ drie uur. (bijna)
- Wij moeten de procedure ___ herzien. (bijna)
- Het resultaat was ___ gelijk aan dat van het vorige jaar. (bijna)
- De klachten zijn ___ allemaal opgelost. (bijna)