Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

bijna: almost

bijna alle, bijna geen, bijna hetzelfde, bijna klaar.

  1. ___ alle bewoners hebben meegedaan. (bijna)
  2. Er was ___ geen discussie over de nieuwe regels. (bijna)
  3. De twee versies zijn ___ hetzelfde. (bijna)
  4. Het werk was ___ klaar toen de tijd om was. (bijna)
  5. Wij hebben ___ een jaar aan het project gewerkt. (bijna)
  6. De prijzen zijn ___ verdubbeld. (bijna)
  7. ___ alle bewoners kwamen met een eigen voorstel. (bijna)
  8. Het is ___ onmogelijk om op tijd te zijn. (bijna)
  9. De vergadering duurde ___ drie uur. (bijna)
  10. Wij moeten de procedure ___ herzien. (bijna)
  11. Het resultaat was ___ gelijk aan dat van het vorige jaar. (bijna)
  12. De klachten zijn ___ allemaal opgelost. (bijna)