B2 · Adjectives & articles
ongeveer, circa, zo'n
ongeveer vijftig, circa 1990, zo'n tien euro.
- De excursie trok ___ vijftig deelnemers. (ongeveer)
- Het pand stamt uit ___ 1890. (circa)
- Het toestel weegt ___ tien kilo. (zo'n)
- De bewoners zijn ___ vijftig jaar oud. (gemiddeld)
- De vergadering duurde ___ een half uur. (ongeveer)
- De inventarisatie vond plaats in ___ 2021. (circa)
- Er zijn ___ twintig vragen in de toets. (zo'n)
- De prijs ligt ___ de tien euro. (rond)
- Het gebied telt ___ achtduizend inwoners. (ongeveer)
- De opdracht werd in ___ 2019 gegund. (circa)
- Hij verdiende ___ drieduizend euro per maand. (zo'n)
- Er was ___ een jaar werk voor ons. (ongeveer)