Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

ongeveer, circa, zo'n

ongeveer vijftig, circa 1990, zo'n tien euro.

  1. De excursie trok ___ vijftig deelnemers. (ongeveer)
  2. Het pand stamt uit ___ 1890. (circa)
  3. Het toestel weegt ___ tien kilo. (zo'n)
  4. De bewoners zijn ___ vijftig jaar oud. (gemiddeld)
  5. De vergadering duurde ___ een half uur. (ongeveer)
  6. De inventarisatie vond plaats in ___ 2021. (circa)
  7. Er zijn ___ twintig vragen in de toets. (zo'n)
  8. De prijs ligt ___ de tien euro. (rond)
  9. Het gebied telt ___ achtduizend inwoners. (ongeveer)
  10. De opdracht werd in ___ 2019 gegund. (circa)
  11. Hij verdiende ___ drieduizend euro per maand. (zo'n)
  12. Er was ___ een jaar werk voor ons. (ongeveer)