Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Degree adverbs and their scale

zeer, tamelijk, bijzonder, uiterst, grotendeels.

  1. Het is ___ belangrijk dat alle afdelingen meedoen. (zeer)
  2. De kostprijs van het project is ___ hoog. (tamelijk)
  3. Wij moeten ___ zorgvuldig met de gegevens omgaan. (bijzonder)
  4. De gevolgen van de beslissing zijn ___ ernstig. (uiterst)
  5. De oplossing is ___ dezelfde als die van 2020. (grotendeels)
  6. Wij zijn ___ overtuigd van de juistheid van de cijfers. (volledig)
  7. Het voorstel is ___ interessant voor jonge doeners. (buitengewoon)
  8. De communicatie tussen de afdelingen is ___ gebrekkig. (enigszins)
  9. De resultaten zijn ___ bruikbaar voor de vervolgstudie. (vrijwel)
  10. Het beleid is in de praktijk ___ onuitvoerbaar gebleken. (volledig)
  11. Deze oplossing is ___ eenvoudiger dan de vorige. (aanzienlijk)
  12. De ouders zijn ___ tevreden over de nieuwe docent. (hoogst)