Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives of evaluation

uitstekend, waardevol, twijfelachtig, onacceptabel.

  1. De redactie noemde het rapport ___ en overtuigend. (uitstekend)
  2. Zij leverde een ___ bijdrage aan het onderzoek. (waardevol)
  3. De bewering van de getuige was ___ en niet te verifiëren. (twijfelachtig)
  4. De redactie vond de redenering ___ voor de doelgroep. (onacceptabel)
  5. Het voorstel is ___ en verdient steun. (verdienst)
  6. De beoordeling van de jury was ___ en streng. (objectief)
  7. Dat is een ___ argument om de maatregel af te wijzen. (zwak)
  8. Het beleid is ___ in zijn opzet en haalbaar. (consistent)
  9. De leerling gaf een ___ antwoord op de open vraag. (verward)
  10. Onze benadering bleek ___ dan die van de concurrentie. (overtuigend)
  11. De film was ___ maar zeker niet de moeite waard. (matig)
  12. Het is een ___ voorstel, maar het uitvoeren is lastig. (goed)