Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives of approximation

ongeveer, bijna, vrijwel, nagenoeg, zo'n.

  1. De uitkomst was ___ gelijk aan die van de vorige meting. (nagenoeg)
  2. Er zijn ___ honderd bezoekers per dag. (ongeveer)
  3. De tekst is ___ gelijk aan die van de eerste druk. (vrijwel)
  4. Het werk was ___ af toen de tijd om was. (bijna)
  5. Wij verwachten ___ vijfhonderd deelnemers. (circa)
  6. Het is ___ onmogelijk om de afspraak te verzetten. (bijna)
  7. De oude en de nieuwe versie zijn ___ identiek. (nagenoeg)
  8. De prijs bedraagt ___ zeven euro per stuk. (ongeveer)
  9. Er was ___ geen twijfel over de uitkomst. (vrijwel)
  10. De eerste opzet is ___ klaar voor de definitieve versie. (bijna)
  11. Wij zoeken een pand van ___ veertig vierkante meter. (circa)
  12. Het gemiddelde lag ___ gelijk aan dat van de andere groep. (nagenoeg)