Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Describing a building formally

monumentaal, sobere, industrieel, karakteristiek.

  1. De ___, hal van het oude station is grondig gerenoveerd. (monumentaal)
  2. Het gebouw heeft een ___ en sober interieur. (strak)
  3. De gevel heeft een sterk ___ karakter. (industrieel)
  4. De synagoge is een ___ gebouw in de binnenstad. (karakteristiek)
  5. De architect koos voor een ___ en minimalistische stijl. (strak)
  6. Het complex is ___ ontworpen voor multifunctioneel gebruik. (doelmatig)
  7. De renovatie was ___ en duur, maar het resultaat is indrukwekkend. (ingrijpend)
  8. Het pand heeft een ___ gevel van baksteen en glas. (monumentaal)
  9. De materialen zijn sober maar van een ___ kwaliteit. (hoog)
  10. De ruimte oogt ___ en functioneel. (eenvoudig)
  11. Het is een ___ voorbeeld van het Amsterdamse blok. (typisch)
  12. De uitbreiding oogt bewust ___ en past in de omgeving. (bescheiden)