Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives with the prefix on-

onduidelijk, oneindig, ongeveerlijk, onnodig, onwaarschijnlijk.

  1. De instructies waren zo ___ dat niemand ze begreep. (onduidelijk)
  2. De discussie over dat onderwerp is ___ . (onafgebroken)
  3. De belasting voor dit product is ___ hoog. (onnodig)
  4. Dat het probleem vanzelf verdwijnt is ___ . (onwaarschijnlijk)
  5. Wij moeten een ___ oplossing zoeken, niet de eerste de beste. (doelmatige)
  6. De wachttijd voelde ___ . (oneindig)
  7. Het pand is in ___ staat en moet gerenoveerd worden. (onbruikbaar)
  8. Wij willen ___ gedrag voorkomen. (ongepast)
  9. Er is ___ ruimte in het magazijn over. (onvoldoende)
  10. De schade was ___ en is nu verholpen. (onomkeerbaar)
  11. Het is ___ dat de cijfers zo laat kwamen. (onwaarschijnlijk)
  12. De procedure is complex en ___. (onoverzichtelijk)