B2 · Adjectives & articles
Adjectives with the prefix on-
onduidelijk, oneindig, ongeveerlijk, onnodig, onwaarschijnlijk.
- De instructies waren zo ___ dat niemand ze begreep. (onduidelijk)
- De discussie over dat onderwerp is ___ . (onafgebroken)
- De belasting voor dit product is ___ hoog. (onnodig)
- Dat het probleem vanzelf verdwijnt is ___ . (onwaarschijnlijk)
- Wij moeten een ___ oplossing zoeken, niet de eerste de beste. (doelmatige)
- De wachttijd voelde ___ . (oneindig)
- Het pand is in ___ staat en moet gerenoveerd worden. (onbruikbaar)
- Wij willen ___ gedrag voorkomen. (ongepast)
- Er is ___ ruimte in het magazijn over. (onvoldoende)
- De schade was ___ en is nu verholpen. (onomkeerbaar)
- Het is ___ dat de cijfers zo laat kwamen. (onwaarschijnlijk)
- De procedure is complex en ___. (onoverzichtelijk)