Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives with the prefix be-

bekend, betrouwbaar, bewezen, bereikbaar, beschikbaar.

  1. De conclusies van het onderzoek zijn ___ gebleken. (bewezen)
  2. Het uitstuurpunt is van alle stations ___ . (bereikbaar)
  3. Het volledige dossier is via de website ___ . (beschikbaar)
  4. Zij is al heel bekend ___ het publiek. (bekend)
  5. Wij zoeken een ___ partner voor het project. (betrouwbaar)
  6. De bestuursleden zijn ___ met de uitkomsten van de enquête. (bekend)
  7. De belofte van de politie bleek ___ . (beloofd)
  8. De dienst is alleen ___ voor bewoners met een abonnement. (beschikbaar)
  9. Wij moeten de bewoners houden van het ___ van de wijk. (beeld)
  10. Het contract is nog niet ___ . (getekend)
  11. De klant is tevreden over ___ kwaliteit van het werk. (bepaalde)
  12. De bewering bleek ___ en kon niet worden bewezen. (onhoudbaar)