B2 · Adjectives & articles
Adjectives in -baar
betaalbaar, uitvoerbaar, onmisbaar, houdbaar, bespreekbaar.
- Het voorstel is alleen ___ als de gemeente bijdraagt. (haalbaar)
- Zonder extra personeel is die taak niet ___ . (uitvoerbaar)
- Een goed werkgeverschap is ___ voor elke werknemer. (onmisbaar)
- Het voorstel is nog niet ___ met de bewoners. (bespreekbaar)
- De economische situatie is op termijn niet ___ . (houdbaar)
- De totale prijs van het project blijft ___ . (betaalbaar)
- Die redenering is voor de lezer ___ . (begrijpelijk)
- De uitkomst van de verkiezingen is nog niet ___ . (voorspelbaar)
- Wij moeten een ___ oplossing voor het probleem vinden. (werkbare)
- Dat argument is ___ in het kader van dit onderzoek. (relevant)
- Het is belangrijk dat de normen ___ bij de praktijk. (aansluiten)
- De procedure moet herkenbaar en ___ zijn voor de burger. (begrijpelijk)