Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives in -baar

betaalbaar, uitvoerbaar, onmisbaar, houdbaar, bespreekbaar.

  1. Het voorstel is alleen ___ als de gemeente bijdraagt. (haalbaar)
  2. Zonder extra personeel is die taak niet ___ . (uitvoerbaar)
  3. Een goed werkgeverschap is ___ voor elke werknemer. (onmisbaar)
  4. Het voorstel is nog niet ___ met de bewoners. (bespreekbaar)
  5. De economische situatie is op termijn niet ___ . (houdbaar)
  6. De totale prijs van het project blijft ___ . (betaalbaar)
  7. Die redenering is voor de lezer ___ . (begrijpelijk)
  8. De uitkomst van de verkiezingen is nog niet ___ . (voorspelbaar)
  9. Wij moeten een ___ oplossing voor het probleem vinden. (werkbare)
  10. Dat argument is ___ in het kader van dit onderzoek. (relevant)
  11. Het is belangrijk dat de normen ___ bij de praktijk. (aansluiten)
  12. De procedure moet herkenbaar en ___ zijn voor de burger. (begrijpelijk)