Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives in -loos

doelloos, zorgeloos, regelloos, vechtlustig, hopeloos.

  1. De ___ reorganisatie kostte de gemeente veel geld. (doelloos)
  2. Het gebrek aan toezicht leidde tot een ___ situatie. (zorgeloos)
  3. De marktwerking in die sector is volledig ___ . (regelloos)
  4. Het zicht op een oplossing was ___ . (hopeloos)
  5. De ___ reactie van de bevolking verraste de politici. (paniek)
  6. Zij gaf een ___ antwoord op de vraag naar de oorzaak. (zorgeloos)
  7. Het wegennet in het gebied is nog steeds ___ . (onregelmatig)
  8. De ___ omzettingen in de branche zetten de kleine winkels onder druk. (onvoorzien)
  9. De vergelijking met vorig jaar is ___ geweest. (betekenisloos)
  10. Wij moeten het ___ gedrag van de groep aanpakken. (grensoverschrijdend)
  11. Het verlies van de baan betekende een ___ periode voor de familie. (zorgeloos)
  12. De redactie vond het artikel ___ en plaatste het toch. (onaf)