Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives in -zaam

eigenaardig, merkwaardig, aanzienlijk, belangrijk, kieskeurig.

  1. De archeoloog maakte een ___ vondst in het veen. (merkwaardig)
  2. Zij heeft een ___ gewoonte van laat opstaan. (eigenaardig)
  3. Het museum is een ___ plek voor jonge kunstenaars. (belangrijk)
  4. De overheid publiceerde een ___ rapport over de luchtkwaliteit. (gedetailleerd)
  5. Dat is een ___ onderscheiding voor haar werk. (aanzienlijk)
  6. Hij is ___ in zijn eisen aan de kwaliteit van het werk. (kieskeurig)
  7. De resultaten van het veldwerk waren ___ . (verrassend)
  8. Wij moeten een ___ moment afwachten. (geschikt)
  9. Dit is een ___ voorbeeld van een goede schrijfstijl. (uitstekend)
  10. De bewoners zijn ___ over de nieuwe tarieven. (ontevreden)
  11. De medische controle was ___ en grondig. (uitvoerig)
  12. Een ___ bericht over de aanstaande verhuur is al verschenen. (eind)