B2 · Adjectives & articles
Adjectives in -ig and -lijk
belangrijk, duidelijk, betrouwbaar, onaantastelijk.
- De ombudsman speelde een ___ rol in het conflict. (belangrijk)
- Wij hebben een ___ overeenkomst met de vakbond gesloten. (duidelijk)
- De getuige was een ___ getuige in het proces. (betrouwbaar)
- Dat is een ___ gegeven dat zorgvuldig moet worden bewaakt. (vertrouwelijk)
- Het openbaar vervoer is het ___ middel om de files te vermijden. (doeltreffend)
- Wij moeten een ___ oplossing voor het klimaatvraagstuk vinden. (haalbaar)
- De belasting op de tweede woning is een ___ maatregel. (bestaand)
- Er is een ___ verschil in aanpak tussen de twee afdelingen. (duidelijk)
- De houding van de regering is ___ gebleken. (onzeker)
- Het is ___ dat de cijfers nog moeten worden gecontroleerd. (duidelijk)
- Zij beschrijft het probleem in ___ bewoordingen. (heldere)
- De procedure moet zo ___ mogelijk zijn voor de burger. (eenvoudig)