Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives in -ig and -lijk

belangrijk, duidelijk, betrouwbaar, onaantastelijk.

  1. De ombudsman speelde een ___ rol in het conflict. (belangrijk)
  2. Wij hebben een ___ overeenkomst met de vakbond gesloten. (duidelijk)
  3. De getuige was een ___ getuige in het proces. (betrouwbaar)
  4. Dat is een ___ gegeven dat zorgvuldig moet worden bewaakt. (vertrouwelijk)
  5. Het openbaar vervoer is het ___ middel om de files te vermijden. (doeltreffend)
  6. Wij moeten een ___ oplossing voor het klimaatvraagstuk vinden. (haalbaar)
  7. De belasting op de tweede woning is een ___ maatregel. (bestaand)
  8. Er is een ___ verschil in aanpak tussen de twee afdelingen. (duidelijk)
  9. De houding van de regering is ___ gebleken. (onzeker)
  10. Het is ___ dat de cijfers nog moeten worden gecontroleerd. (duidelijk)
  11. Zij beschrijft het probleem in ___ bewoordingen. (heldere)
  12. De procedure moet zo ___ mogelijk zijn voor de burger. (eenvoudig)