Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives in -achtig

eendrachtig, zwartachtig, grijsachtig, sterkachtig, langdurig.

  1. De rotswand oogt ___ in het avondlicht. (grijsachtig)
  2. De stemming aan tafel was ___ . (eendrachtig)
  3. Er lag een ___ steen naast het pad. (zwartachtig)
  4. De wijk heeft een ___ karakter: veel groen en oude bomen. (parkachtig)
  5. De beweging was ___ en er was geen enkele tegenstemming. (eendrachtig)
  6. De lucht boven de stad had een ___ waas. (grijsachtig)
  7. Zij heeft een ___ voorkomen voor zwart haar. (zwartachtig)
  8. De lat ligt ___ bij het gebouw van de concurrentie. (hoog)
  9. Dat is een ___ resultaat voor zo'n korte voorbereidingstijd. (verrassend)
  10. Het muurwerk oogt ___ in de avondzon. (roodachtig)
  11. De bewoners spraken in een ___ toon over de toekomst. (hoopvol)
  12. De sfeer in het dorp is ___ en dorps. (rustig)