B2 · Adjectives & articles
Adjectives of nationality
Nederlands, Brits, Amerikaans, Europees, internationaal.
- De ___ economie groeide ondanks de crisis. (Nederlands)
- Het ___ museum organiseert een tentoonstelling over de oorlog. (Brits)
- Wij keken naar een ___ documentaire over de stad. (Amerikaans)
- Het ___ klimaatakkoord is in 2021 verlengd. (Europees)
- Wij zijn een ___ bedrijf met klanten over de hele wereld. (internationaal)
- De kamer is ingericht in ___ stijl. (Deens)
- Zij spreekt vloeiend ___ en Italiaans. (Frans)
- De ___ regering hield gisteren een persconferentie. (Spaans)
- Het is een ___ zaak om de aanvraag opnieuw in te dienen. (formeel)
- Wij zoeken iemand met ___ kennis van het Nederlands recht. (diepgaand)
- De stad heeft een ___ historie van textielindustrie. (eeuwenoud)
- Het ___ klimaat van het eiland trekt veel toeristen. (zonnig)