Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Adjectives of nationality

Nederlands, Brits, Amerikaans, Europees, internationaal.

  1. De ___ economie groeide ondanks de crisis. (Nederlands)
  2. Het ___ museum organiseert een tentoonstelling over de oorlog. (Brits)
  3. Wij keken naar een ___ documentaire over de stad. (Amerikaans)
  4. Het ___ klimaatakkoord is in 2021 verlengd. (Europees)
  5. Wij zijn een ___ bedrijf met klanten over de hele wereld. (internationaal)
  6. De kamer is ingericht in ___ stijl. (Deens)
  7. Zij spreekt vloeiend ___ en Italiaans. (Frans)
  8. De ___ regering hield gisteren een persconferentie. (Spaans)
  9. Het is een ___ zaak om de aanvraag opnieuw in te dienen. (formeel)
  10. Wij zoeken iemand met ___ kennis van het Nederlands recht. (diepgaand)
  11. De stad heeft een ___ historie van textielindustrie. (eeuwenoud)
  12. Het ___ klimaat van het eiland trekt veel toeristen. (zonnig)