Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Emotions in formal writing

opgetogen, teleurgesteld, bezorgd, verontwaardigd: emoties in een formele tekst.

  1. De burgemeester was ___ over het bereikte akkoord. (opgetogen)
  2. Dit was een ___ moment voor de hele familie. (bijzonder)
  3. De bewoners van de wijk zijn ___ over de geplande sloop. (bezorgd)
  4. Het publiek reageerde ___ op de aankondiging. (ontstemd)
  5. Zij toonde ___ bij de prijsuitreiking. (trots)
  6. De delegatie was ___ over het uitblijven van een reactie. (teleurgesteld)
  7. Wij zijn ___ dat de aanvraag is toegewezen. (verheugd)
  8. De directeur is ___ over het artikel in de krant. (verontwaardigd)
  9. Niemand was ___ toen de oplossing werd gevonden. (opgelucht)
  10. Zij voelde zich ___ door de gang van zaken. (gefrustreerd)
  11. De manager gaf een ___ antwoord op de kritische vraag. (ontwijkend)
  12. Wij moeten de ___ gevoelens van de betrokkenen respecteren. (gemengde)