Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Colours used figuratively

grijs, zwart, rood, bleek, helder: kleuren die iets anders betekenen.

  1. De toekomst van het project ziet er ___ uit. (grijs)
  2. Het rapport bevat veel ___ informatie over de financiën van de stichting. (zwart)
  3. In de raadszaal ging de discussie ___ . (rood)
  4. Er lag een ___ waas over de samenwerking tussen de afdelingen. (bleek)
  5. Wij moeten een ___ lijn hanteren in de communicatie met de bewoners. (helder)
  6. De oppositie noemt sommige posten in de begroting ___ . (onduidelijk)
  7. De brochure van de gemeente is ___ opgezet met veel foto's. (kleurrijk)
  8. De sfeer op de afdelingsbijeenkomst was ___ . (saai)
  9. In het jaarverslag staat een ___ pagina over de klimaatdoelen. (wit)
  10. Het ___ woord ontbreekt in het rapport van de rekenkamer. (belangrijk)
  11. De kleur van de meubels in de wijk is bijzonder ___ . (warm)
  12. De ___ kant van het conflict kwam in het rapport nauwelijks voor. (verborgen)