Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Taste and flavour words

zoet, zout, zuur, bedorven: smaken en kwaliteit in het restaurant.

  1. Het brood van de bakker was nog ___ toen wij het kochten. (vers)
  2. De kaas uit het noorden is erg ___ . (zout)
  3. Wij hebben een ___ dessert besteld, maar het was veel te bitter. (zoet)
  4. De wijn liet een ___ smaak in de mond achter. (bitter)
  5. De appel is nog niet rijp; hij is heel ___ . (zuur)
  6. De vis in het restaurant was ___ en smaakte naar ammoniak. (bedorven)
  7. De curry is te ___ voor de gasten. (pittig)
  8. Het brood van deze bakker is donker en ___ . (volkoren)
  9. De thee van het kantoor is heel ___ ; er zit geen suiker in. (waterig)
  10. De soep van de kantine is ___ en bevat veel room. (romig)
  11. Het gerecht was ___ ; er waren geen kruiden aan toegevoegd. (smaakloos)
  12. Het dessert was ___ ; er stond geen suiker op de lijst. (zoet)