B2 · Adjectives & articles
Taste and flavour words
zoet, zout, zuur, bedorven: smaken en kwaliteit in het restaurant.
- Het brood van de bakker was nog ___ toen wij het kochten. (vers)
- De kaas uit het noorden is erg ___ . (zout)
- Wij hebben een ___ dessert besteld, maar het was veel te bitter. (zoet)
- De wijn liet een ___ smaak in de mond achter. (bitter)
- De appel is nog niet rijp; hij is heel ___ . (zuur)
- De vis in het restaurant was ___ en smaakte naar ammoniak. (bedorven)
- De curry is te ___ voor de gasten. (pittig)
- Het brood van deze bakker is donker en ___ . (volkoren)
- De thee van het kantoor is heel ___ ; er zit geen suiker in. (waterig)
- De soep van de kantine is ___ en bevat veel room. (romig)
- Het gerecht was ___ ; er waren geen kruiden aan toegevoegd. (smaakloos)
- Het dessert was ___ ; er stond geen suiker op de lijst. (zoet)