Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Smell and scent words

fris, muffig, bedorven, kruidig: geuren in huis, werk en straat.

  1. De lucht in de keuken was ___ ; de frituur moest vervangen worden. (bedorven)
  2. Er lag een ___ geur van petroleum in de kelder. (doordringend)
  3. De geur van het asfalt na de regen was ___ . (fris)
  4. Het gebouw had een ___ geur van vocht en oude muren. (muf)
  5. De geur van de kruiden in de keuken was ___ . (kruidig)
  6. De geur van de aarde na de regen was ___ . (aards)
  7. De stank van het oude afval in de kelder was ___ . (overweldigend)
  8. Wij roken een ___ geur van zeep en water. (helder)
  9. De lucht in de metro was ___ en muf. (vies)
  10. Het gerecht had een ___ geur van knoflook. (sterk)
  11. In de fabriek hing een ___ geur van chemicalien. (chemisch)
  12. Het ___ aroma van de koffie vulde de kantine. (vol)