B2 · Adjectives & articles
Smell and scent words
fris, muffig, bedorven, kruidig: geuren in huis, werk en straat.
- De lucht in de keuken was ___ ; de frituur moest vervangen worden. (bedorven)
- Er lag een ___ geur van petroleum in de kelder. (doordringend)
- De geur van het asfalt na de regen was ___ . (fris)
- Het gebouw had een ___ geur van vocht en oude muren. (muf)
- De geur van de kruiden in de keuken was ___ . (kruidig)
- De geur van de aarde na de regen was ___ . (aards)
- De stank van het oude afval in de kelder was ___ . (overweldigend)
- Wij roken een ___ geur van zeep en water. (helder)
- De lucht in de metro was ___ en muf. (vies)
- Het gerecht had een ___ geur van knoflook. (sterk)
- In de fabriek hing een ___ geur van chemicalien. (chemisch)
- Het ___ aroma van de koffie vulde de kantine. (vol)