B2 · Adjectives & articles
Sound and noise levels
luid, gedempt, schril, helder: geluid in straat, kantoor en huis.
- De aannemer was ___ aan het bellen van de bestekken. (luid)
- De klachten over het ___ geluid van de installatie blijven binnenkomen. (hard)
- In het gebouw is het ___ ; je hoort alleen de ventilatie. (stil)
- De ___ stem van de spreker bracht de zaal tot rust. (schel)
- Wij moeten het volume van de ___ oproep van de omroep terugdringen. (luid)
- Het ___ geluid van de vliegtuigen houdt de bewoners wakker. (herhaaldelijk)
- De zang in de kerk was ___ en overstemde het orgel. (helder)
- De bel was zo ___ dat niemand hem hoorde. (zacht)
- Er was een ___ geratel in de leidingen. (verontrustend)
- Met het opleveren van de brug komt het ___ verkeer op gang. (zwaar)
- De discussie in de zaal werd ___ . (luid)
- Hij sprak met een ___ stem om de gasten te kalmeren. (rustig)