Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Sound and noise levels

luid, gedempt, schril, helder: geluid in straat, kantoor en huis.

  1. De aannemer was ___ aan het bellen van de bestekken. (luid)
  2. De klachten over het ___ geluid van de installatie blijven binnenkomen. (hard)
  3. In het gebouw is het ___ ; je hoort alleen de ventilatie. (stil)
  4. De ___ stem van de spreker bracht de zaal tot rust. (schel)
  5. Wij moeten het volume van de ___ oproep van de omroep terugdringen. (luid)
  6. Het ___ geluid van de vliegtuigen houdt de bewoners wakker. (herhaaldelijk)
  7. De zang in de kerk was ___ en overstemde het orgel. (helder)
  8. De bel was zo ___ dat niemand hem hoorde. (zacht)
  9. Er was een ___ geratel in de leidingen. (verontrustend)
  10. Met het opleveren van de brug komt het ___ verkeer op gang. (zwaar)
  11. De discussie in de zaal werd ___ . (luid)
  12. Hij sprak met een ___ stem om de gasten te kalmeren. (rustig)