B2 · Adjectives & articles
Temperature and warmth
koud, koel, lauw, ijskoud: temperatuur in een formele tekst.
- Het is vandaag ___ in de kantoorruimte. (koud)
- De radiator in de zaal doet het ___ . (warm)
- Het bier van de tap is te ___ . (koel)
- Het water in de dorpsbron is het hele jaar ___ . (ijskoud)
- De koffie was nog ___ ; de pot had te lang op de warmhouder gestaan. (lauw)
- De sneeuw smolt snel in de ___ zon. (brandend)
- De temperatuur in de halle is ___ ; de sporters klagen vooral in de winter. (verkoelend)
- Wij zoeken een woning met ___ vloer en veel licht. (warm)
- Het zeewater is in augustus nog ___ . (fris)
- De hitte was zo ___ dat de bomen verbrandden. (heftig)
- Wij drinken graag een ___ thee op koude dagen. (sterk)
- Het ___ weer van deze week vraagt om een dikke jas. (koud)