Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Temperature and warmth

koud, koel, lauw, ijskoud: temperatuur in een formele tekst.

  1. Het is vandaag ___ in de kantoorruimte. (koud)
  2. De radiator in de zaal doet het ___ . (warm)
  3. Het bier van de tap is te ___ . (koel)
  4. Het water in de dorpsbron is het hele jaar ___ . (ijskoud)
  5. De koffie was nog ___ ; de pot had te lang op de warmhouder gestaan. (lauw)
  6. De sneeuw smolt snel in de ___ zon. (brandend)
  7. De temperatuur in de halle is ___ ; de sporters klagen vooral in de winter. (verkoelend)
  8. Wij zoeken een woning met ___ vloer en veel licht. (warm)
  9. Het zeewater is in augustus nog ___ . (fris)
  10. De hitte was zo ___ dat de bomen verbrandden. (heftig)
  11. Wij drinken graag een ___ thee op koude dagen. (sterk)
  12. Het ___ weer van deze week vraagt om een dikke jas. (koud)