Learn Dutch
B2 · Adjectives & articles

Distance and proximity

dichtbij, afgelegen, vlakbij: hoe ver of hoe dichtbij iets ligt.

  1. Het station ligt ___ bij het kantoor van de gemeente. (dichtbij)
  2. De ___ gelegen dorpen hebben nauwelijks voorzieningen. (afgelegen)
  3. Wij wonen ___ bij het park, op vijf minuten lopen. (vlakbij)
  4. De afstand tussen de twee afdelingen is ___ . (groot)
  5. Op ___ afstand van het centrum staat een nieuw bedrijventerrein. (korte)
  6. Het dorp ligt ___ van de snelweg. (ver)
  7. De twee versies van het document verschillen slechts in een ___ detail. (klein)
  8. Wij moeten het voorstel ___ houden bij de wensen van de bewoners. (dicht)
  9. Tegenwoordig reist men vaak over ___ afstand naar het werk. (lange)
  10. De buurt is ___ ; op zaterdag is er veel volk op de markt. (dichtbevolk)
  11. De ___ huizen in de oude binnenstad staan dicht op elkaar. (compact)
  12. De afstand tot de snelweg blijft in dit plan ___ . (gering)