B2 · Adjectives & articles
Distance and proximity
dichtbij, afgelegen, vlakbij: hoe ver of hoe dichtbij iets ligt.
- Het station ligt ___ bij het kantoor van de gemeente. (dichtbij)
- De ___ gelegen dorpen hebben nauwelijks voorzieningen. (afgelegen)
- Wij wonen ___ bij het park, op vijf minuten lopen. (vlakbij)
- De afstand tussen de twee afdelingen is ___ . (groot)
- Op ___ afstand van het centrum staat een nieuw bedrijventerrein. (korte)
- Het dorp ligt ___ van de snelweg. (ver)
- De twee versies van het document verschillen slechts in een ___ detail. (klein)
- Wij moeten het voorstel ___ houden bij de wensen van de bewoners. (dicht)
- Tegenwoordig reist men vaak over ___ afstand naar het werk. (lange)
- De buurt is ___ ; op zaterdag is er veel volk op de markt. (dichtbevolk)
- De ___ huizen in de oude binnenstad staan dicht op elkaar. (compact)
- De afstand tot de snelweg blijft in dit plan ___ . (gering)